|
GEMEENSCHAP IN LEVEN EN IN DOOD
Waarom de eerste christenen de catacomben groeven
Wanneer men één van de Romeinse catacomben bezoekt, blijft men erg onder de indruk van de bijzonder grote afmetingen van deze onderaardse begraafplaatsen uit de eerste periode van het christendom. Een aandachtige bezoeker vraagt zich wellicht af waarom de eerste christenen van die tijd zich genoodzaakt voelden om zulk een harde en lastige arbeid op de schouders te nemen, en een netwerk van kilometers lange uit te graven in het tufsteen, met honderdduizenden graven in soms erg hoge gangen, arcosolia cubicula, in verschillende verdiepingen boven elkaar ? Als men de enorme hoeveelheid puin bekijkt dat werd uitgegraven en naar de oppervlakte gebracht, begrijpt men onmiddellijk dat het niet hun bedoeling was de graven van hun overledenen verborgen te houden, of om een schuilplaats voor zichzelf aan te leggen. Bovendien waren hun begraafplaatsen, zoals deze van de heidenen, beschermd door een oude wet die hen als “heilige plaatsen” beschouwde, waar de autoriteiten niet moesten binnenkomen. Waarom dan, zetten de christenen van toen, dan een zo uitzonderlijk werk voort ?
Aan de oorsprong van de catacomben ligt geloof in Jezus Christus, dat van de christenen, levenden en overledenen, een waarachtige gemeenschap maakt, die niet alleen gelooft maar het geloof ook beleeft in het leven van elke dag. Verder waren er ook praktische problemen met betrekking tot de begraving.
De heidense cultus in het oude Rome van de keizers had weinig invloed op de persoonlijke moraal van het individu en de deugden waren grotendeels gedefinieerd in functie van wat dienstig kon zijn voor het welzijn van het keizerrijk. Na de dood onderstelde men een hiernamaals waar de zielen van de overledenen, als schaduwen, voortgingen met bestaan, “goeden” zowel als “slechten”. Hiervoor was het niet van belang, welk van de zo vele godheden vereerd werd, noch privé, noch publiek, gezien ook de keizer zijn eigen cultus kreeg. Voor de christenen echter, was het geloof in één God geen privaatzaak, maar had ook invloed op hun persoonlijk en sociaal gedrag. Jezus had geopenbaard dat God Vader is, wat voor de gelovigen een bijzondere verhouding onder elkaar creëert als kinderen van God, als broeders en zusters. Hoe groot is de liefde de Vader ons betoond heeft ! Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook. (1 Joh. 3,1) Om deze verhouding duidelijk te maken, bediende de H. Paulus zich, in sommige van zijn brieven, van het beeld van de ledematen die een enkel lichaam vormen en waarvan Christus het hoofd is. Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden. (Mt. 18,20) Zo was de kerk, zowel op lokaal als op universeel vlak, niet slechts een vereniging van personen die gelijkaardige inzichten en belangen hebben, maar een echte familie, het mystieke lichaam van Christus.
Voor de christenen bleef dit niet zonder praktische gevolgen. Zo verhalen de handelingen van de apostelen ons van een ware gemeenschap van goederen : “De menigte die het geloof had aangenomen, was één van hart en één van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk ... Er was geen enkele noodlijdende onder hen, omdat allen die landerijen of huizen bezaten, deze verkochten. ... Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar zijn behoefte.” (Hand. 4,32-35). Dit meedelen begrijpt men uit de verwachting van de eerste christengemeenschappen naar de nabijzijnde komst van Christus. Hun zin voor verantwoordelijkheid voor de armen en behoeftigen is voor ons nu echt uitzonderlijk en indrukwekkend : christelijk realisme dat lijden en ellende ziet en op een actieve en doeltreffende manier probeert te verhelpen. De zorg voor de armen was geen bevoegdheid voorbehouden aan een speciaal daarvoor opgerichte liefdadigheidsorganisatie. De bekommernis voor weduwen, wezen, families van diegenen die wegens hun geloof gevangenschap te lijden hadden, het bezoek aan de zieken, was de inzet van iedereen en van de ganse gemeenschap. Het was de beoefening van de Caritas en een uitdrukking van solidariteit. Dit werd concreet gemaakt vaak door een materiële ondersteuning, vooral vanwege de meer welvarende personen uit de gemeenschap.
Omdat ook de overledenen toebehoren tot dezelfde mystieke gemeenschap wordt de gemeenschapsband niet verbroken door de dood. Voor de christenen betekende de dood inderdaad niet het einde, het uitdoven van het persoonlijke bestaan , maar een overgang naar een nieuw leven, niet uit te leggen maar zeker, dat na het laatste oordeel ook het lichaam omvat. Bijgevolg weigerden ze het heidense gebruik van te cremeren, en wilden ze hun dierbaren begraven en ook hierin het voorbeeld van de begraven en verrezen Heer navolgen. Terwijl de aanhangers van andere heidense godsdiensten over ´necropoli´ spraken, dwz. dodensteden, beschouwden de christenen hun begraafplaatsen als slaapplaats (´coemeterium´), als rustplaats waar men sliep tot aan de verrijzenis, en omdat men het geloof in de verrijzenis naar de letter opvatte, gebruikte men de graven in het algemeen slechts één maal.
Zo eindigde de verantwoordelijkheid voor elkaar niet met de dood en de solidariteit en liefdadigheid van de christenen betrof ook hun dierbare overledenen; de gemeenschap garandeerde een laatste rustplaats en een waardig graf voor iedereen, tot en met de allerarmsten. Deze diepe eerbied jegens de overledenen als broeders in het geloof was volledig nieuw in het oude Rome, waar men gewoon was om achtergelaten (zelfs nog levende) pasgeborenen, terechtgestelde misdadigers, gestorven vreemdelingen zonder bezit en slaven die men niets waard achtte, in grote massagraven te werpen of zelfs in de riolen. Het verdriet om de dood van geliefde familieleden of dierbare vrienden, zette de christenen ertoe aan om voortdurend hun graven te bezoeken, al was het maar uit louter dankbaarheid voor de tijd die ze samen geleefd hadden. Heidenen deden dat ook, maar christenen waren door hun geloof volstrekt zeker dat zij, gemaakt om voor elkaar te bestaan, ook in de toekomst zullen samenzijn, wanneer ze elkaar eenmaal voor altijd zullen weerzien. Omdat zij zich kinderen voelden van dezelfde Vader, broeders en zusters in het geloof, waren ze ervan overtuigd dat zij, waar hun dierbaren rustten, ook zelf eens zullen rusten, begraven op een gemeenschappelijke plaats tot op de dag van de verrijzenis, zonder te onderscheid van reputatie, opdracht, rijkdom of armoede, en in gemeenschap van gebed voor de vrede van allen.
In het begin bezaten de christenen nog geen eigen en gescheiden begraafplaatsen en begroeven ze hun dierbaren in de necropolen van de heidenen. Zij die tot een vermogende of adellijke huishouding behoorden, werden desgevallend begraven in de eigendom of de private begraafplaats van hun eigenaar, steeds buiten de stadsmuren. Men moet niet vergeten dat de christelijke gemeenschap, die erg arm was, niet in staat was om eigen gemeenschappelijke begraafplaatsen aan te kopen. Samen met honderden christenen van elke leeftijd en stand die het slachtoffer werden van de bloedige eerste vervolging onder keizer Nero in de jaren 64 tot 68, werden de apostelen Petrus en Paulus begraven in graven op de necropolen respectievelijk van het Vatikaan en aan de Via Ostiense. Een verandering kwam hierin slechts in de tweede eeuw, wanneer vermogende en welstellende christelijke families hun private begraafplaatsen ter beschikking stelden van de gemeenschap, of ze aan de gemeenschap schonken. En van in het begin bestond het christelijke gebruik om de overledene te bezoeken en te bidden bij hun graven.
Maar algauw werd het verzet tegen deze religie van officiële zijde een probleem. Onder Claudius, keizer van 41 tot 54, verklaarde de Romeinse senaat de christenen in een officieel decreet opstandig en ophitsend, en hun geloof een schande. Misschien karakteristiek voor het kennen van de publieke opinie jegens het christelijk geloof, is het graffito van de gekruisigde ezel gevonden op de Palatijn, dat men in het Museo Nazionale kan vinden. Zo gebeurde het dat de christenen die hun overleden kwamen bezoeken en bij hun graven kwamen bidden, gestoord en lastiggevallen werden door het plebs, of de graven beklad en onteerd vonden. Hierdoor groeide het verlangen naar een begraafplaats gereserveerd voor de gemeenschap; dit was ook nodig wegens het grote aantal gelovigen, dat ondanks de vervolgingen bleef toenemen ! Zo nam ook de nood aan nieuwe graven toe, en werd een steeds nijpender probleem dat dringend om een oplossing vroeg.
Een dergelijke oplossing tekende zich of rond 150 wanneer de adellijke familie van de Caecilii zijn private begraafplaats langs de Via Appia aan de christelijke gemeenschap schonk. Daarna stelden ook andere adellijke families die christen geworden waren hun begraafplaatsen ter beschikking van de gemeenschap, ook voor het begraven van christenen die niet tot hun huishouding behoorden. Daarom vindt men in verschillende catacomben de zogenoemde ´heidense kernen´; deze geven aan dat in het begin slechts weinig leden van deze families tot het christendom behoorden.
Bij het vinden van de noodzakelijke plaatsen voor al deze graven kwam een oude wet ter hulp. Het eigendom en het recht om hiervan gebruik te maken, omvatte ook het gedeelte onder de grond. Om hiervan gebruik te maken, volstond het de nodige uitgravingen te verrichten, zolang men maar de grenzen van het eigendom respecteerde. Bovendien kende men in Rome sedert eeuwen reeds een mijnbouwindustrie. Bijgevolg bestonden reeds de oplossingen voor technische problemen zoals statica, verluchting, en logistiek, en ook de werktuigen die hiervoor nodig waren. Dat de vulkanische tufsteen, erg verbreid in deze streken van Italië, erg geschikt was voor onderaardse begravingen, was reeds gekend sedert de tijden van de Etrusken en ook de rijke en adellijke Romeinse families lieten onder hun mausolea soms grafkamers uitgraven, de zogenaamde hypogea, voor de urnen van minder belangrijke leden van de familie of voor verdienstelijke vrijgelaten slaven.
Zo zijn de catacomben ook vandaag een indrukwekkende uitdrukking van een geest van eenheid, van onderling mededelen en van een sterk gemeenschapsgevoel. De kracht en doeltreffendheid hiervan vond zijn oorsprong in het geloof in de verrijzenis. De catacomben zijn een monument van een christelijke gemeenschap die zich niet tevreden stelde met vrome woorden, maar hun geloof intens en solidair beleefde; ze zijn een monument van gemeenschap in leven en in dood.
|