De catacomben zijn de oude ondergrondse begraafplaatsen zoals die vroeger gebruikt werden door de christelijke en joodse gemeenschap, vooral te Rome. De christelijke catacomben zijn het talrijkst. Met hun aanleg werd begonnen in de tweede eeuw en het uitgraven duurde voort tot de eerste helft van de vijfde eeuw.
In het begin waren het enkel begraafplaatsen. De christenen kwamen er bijeen om hun begrafenisdiensten te vieren, en de verjaardag van de dood van een overledene of van een martelaar.
Gedurende de vervolgingen werden de catacomben in uitzonderlijke gevallen ook tijdelijk gebruikt als schuilplaatsen voor het vieren van de eucharistie. Ze werden niet gebruikt als geheime schuilplaatsen van de eerste christenen : dit is enkel een verzinsel uit romans of films.
Na de vervolgingen, vooral in de tijd van paus Damasus (366-384), werden de catacomben echte heiligdommen, gebedsplaatsen en bedevaartsoorden voor de christenen uit alle delen van het Romeinse keizerrijk.
In die dagen bestonden er ook begraafplaatsen in open lucht, maar de christenen verkozen de onderaardse begraafplaatsen om verschillende redenen, vooral omdat zij de crematie verafschuwden zoals die bij de andere Romeinen bestond. Zij verkozen begraven te worden, zoals Christus, uit eerbied voor de lichamen die eens zullen opstaan uit de doden.
Dit oprechte geloof van de christenen creëerde een plaatsprobleem dat van grote invloed was op de ontwikkeling van de catacomben. De terreinen die de christenen aan de oppervlakte bezaten waren niet zeer uitgestrekt. De christenen gebruikten hun graven niet opnieuw. Als zij enkel begraafplaatsen in de open lucht hadden gebruikt, zou de ruimte voor begraving snel uitgeput geweest zijn.
De catacomben zorgden voor een oplossing voor dit probleem, en deze bleek goedkoop, veilig en praktisch. In werkelijkheid was het goedkoper gangen te graven onder de grond dan grote stukken land aan de oppervlakte aan te kopen. En aangezien de christenen vooral arme mensen waren, was deze manier om de doden te begraven beslissend.
Maar er waren ook andere redenen om ondergrondse begraving te kiezen. De christenen hadden een sterk gevoel van gemeenschap : zij wilden ook samen blijven na hun overlijden. Verder waren deze afgelegen ruimten, vooral tijdens de vervolgingen, erg geschikt voor het houden van samenkomsten of het vrij tonen van de christelijke symbolen.
In overeenstemming met de Romeinse wetgeving, die het begraven van doden binnen de stadsmuren verbood, zijn alle catacomben buiten de stadsmuren gelegen, langs de grote consulaire wegen, en in het algemeen in die gebieden die in die tijd juist buiten de stad lagen.