In de geschiedenis van de catacomben van St.Callixtus ontmoet men hoofdpersonen, persoonlijkheden van eerste rang: de pausen-martelaren Fabianus,, Cornelius, Sixtus II, evenals de bisschop van Carthago, Sint-Cyprianus. De Kerk van Rome en die van Carthago hadden onderling veel contact. Het is interessant de inhoud te kennen van sommige brieven om te weten wat deze grote herders elkaar te vertellen hadden en hoe zii hun tijd, die zeker geen rustige tijd was, beoordeelden.
1. De Kerk van Rome tot de Kerk van Carthago
Ten tijde van de vervolging onder kelzer Decius gaf de kerk van Rome het volgend getuigenis van trouw aan de Kerk van Carthago.
Rome, begin 250
"... De Kerk biedt moedig weerstand in het geloof. Het is waar dat sommigen zijn gevallen hetzij omdat ze onder de indruk waren van de weerklank die zij zouden kunnen veroorzaakt hebben vanwege hun sociale positie, hetzij uit menselijke zwakheid. Toch hebben wij hen in hun afvalligheid niet in de steek gelaten, ook al zijn ze nu van ons gescheiden, maar we hebben ze geholpen en we zijn hun nog nabij zodat ze zich kunnen herpakken door middel van boete en zij vergiffenis mogen bekomen van Hem die bij machte is die vergiffenis te geven. Mochten we hen immers aan hunzelf overlaten, dan zou hun afvalligheid onherstelbaar worden.
Probeer dan ook zo te handelen, dierbare broeders, en de hand te reíken aan degenen die gevallen zijn zodat ze weer opstaan. Op die manier zullen ze zich gesterkt voelen om, mochten ze nog eens aangehouden worden, deze keer hun geloof te belijden en de vorige dwaling te herstellen.
Laat ons toe u er aan te herinneren welke lijn te volgen is voor een ander probleem. Degenen die bij ziekte zouden gevallen zijn in de beproeving, welnu, op voorwaarde dat ze berouw hebben en het verlangen tonen om gemeenschap te hebben met de Kerk, moeten geholpen worden. De weduwen en de anderen die verhinderd worden zich spontaan aan te melden, zoals ook al degenen die in gevangenissen verblijven of ver van huis zijn, moeten iemand vinden die zorg draagt voor hen. Zelfs de catechumenen die door ziekte getroffen zijn, mogen niet teleurgesteld worden in het wachten op hulp.
De broeders die in de gevangenissen zijn groeten u, ook de priesters groeten u en de hele Kerk, die met de grootste zorg waakt over allen díe de naam van de Heer aanroepen. Maar ook wij vragen u wederkerige aandacht" (Brief 8,2-3).
2. De bisschop van Carthago tot de Kerk van Rome
Toen Cyprianus op de hoogte werd gebracht van de dood van paus Fabianus, schreef hij aan de priesters en aan de diakens van Rome deze brief.
Carthago, begin 250.
"Dierbare Broeders,
het bericht dat mijn heilige broeder in het episcopaat zou gestorven zijn, was voor ons hier nog onzeker, en er bleef nog twijfel hangen over de inlichtingen, toen ik van u de brief ontving, die mij toegestuurd was door bemiddeling van de subdiaken Crementius; door die brief werd ik volledig op de hoogte gebracht omtrent zijn roemrijke dood. Ik was verheugd op dat moment omdat na de onkreukbaarheid van zijn bestuur nu een edel einde was gevolgd.
In dat opzicht verheug ik er mij samen met u ten zeerste over omdat u zijn gedachtenis eert met een zo luisterrijk en prachtig getuigenis, door ook ons het roemrijk getuigenis dat u hebt van uw bisschop, mee te delen en ook ons een voorbeeld van geloof en sterkte aan te bieden.
Zoals afvalligheid van wie aan het hoofd staat nadelig is voor de onderdanen, zo is het daarentegen nuttig en heilzaam, als een bisschop aan zijn broeders het voorbeeld geeft van sterkte en geloof ... Ik wens u, dierbare broeders, dat u altijd trouw blijft" (Bríef 9,1).
3. Cyprianus, bisschop van Carthago, aan paus Cornelius
Cyprianus brengt hulde aan het getuigenis van moed en trouw dat paus Cornelius en de Kerk van Rome hebben afgelegd: "een lichtend voorbeeld van eenheid en volharding voor alle christenen". Daar Cyprianus het dreigend uur van de beproeving voor de Kerk van Carthago voorziet, vraagt hij de broederlijke steun van uw gebed en liefde.
Carthago, herfst van 253.
"Cyprianus aan Cornelius, broeder in het bisschopsambt.
We zijn op de hoogte, beste broeder, van uw geloof, uw sterkte en uw open getuigenis. Dit alles strekt u tot grote eer en het bezorgt mij zoveel vreugde doordat u mij beschouwt als deelgenoot en bondgenoot van uw verdiensten van uw ondernemingen.
Aangezien de Kerk inderdaad één is, één en onscheidbaar is de liefde, enig en onverdeelbaar de eenheid van de harten, welke priester zou zich in het toezwaaien van lofprijzingen voor een ander priester niet verheugen als ging het om zijn eigen eer? En welke broeder zou zich niet gelukkig voelen om de vreugde van de eigen broeders? Men kan zich zeker niet indenken welke blijdschap en grote vreugde hier bij ons ontstaan zijn toen wij zoveel mooie dingen vernamen en kennis kregen van de bewijzen van moed die u geleverd hebt.
U bent een gids geweest voor uw broeders in de belijdenis van het geloof, en de belijdenis zelf van de gids heeft zich nog versterkt met de belijdenis van de broeders. Zo hebt u, terwijl u de anderen voorging op de weg van de glorie en u zich bereid getoond hebt om als eerste en voor allen belijdenis af te leggen, uw volk er ook van overtuigd van datzelfde geloof belijdenis af te leggen.
Op die manier is het voor ons onmogelijk te bepalen wat wij in u het meest moeten prijzen, ofwel uw prompt en onwrikbaar geloof, ofwel uw onscheidbare liefde tegen over de broeders. De moed van de bisschop werd in heel zijn luister openbaar gemaakt tot leiding van zijn volk, en de trouw van het volk in volle solidariteit met zijn bisschop is groots en schitterend gebleken. In u allen heeft de Kerk van Rome een schitterend getuigenis afgelegd, helemaal verenigd in één enkele geest en in één enkele stem.
Zo heeft, dierbare broeder, het geloof geschitterd dat de Apostel vaststelde en loofde in uw gemeenschap. Toen reeds voorspelde hij en prees hij, haast op een profetische manier, uw moed en uw onbuigzame sterkte. Toen reeds erkende hij de verdiensten van diegenen die u glorierijk zouden maken. Hij prees de heldhaftige daden van de vaders terwijl hij die van de zonen voorspelde. U hebt met uw totale eensgezindheid en met uw sterkte een lichtend voorbeeld van eenheid en volharding gegeven aan alle burgers.
Beste Broeder,in zijn voorzienigheid verwittigt de Heer ons dat het uur van de beproeving nabij is. In zijn goedheid en in zijn zorg voor ons heil geeft God ons zijn heilzame ingevingen in het vooruitzicht van onze nakende strijd. Welnu, in naam van die liefde die ons wederzijds bindt, laten we dan elkaar helpen door met heel het volk te volharden in vasten, in waken en in gebed.
Dat zijn voor ons de hemelse wapens die ons sterk maken en die ons doen volharden. Het zijn de geestelijke wapens en de goddelijke pijlen die ons beschermen.
Laten we elkaar wederkerig gedenken in de eensgezindheid en het geestelijk broederschap. Laten we steeds en overal voor elkaar bidden, en trachten wij ons lijden te verzachten met de wederkerige liefde" (Brief 60,1-2).
4. Cyprianus meldt de dood van Paus Sixtus II
De Kerk van Carthago had enkele geestelijken naar Rome gestuurd om inlichtingen in te winnen omtrent het decreet van vervolging door keizer Valerianus uitgevaardigd. Ze zullen terugkeren met het droevige nieuws over de dood van Paus Sixtus II. De bisschop St.Cyprianus nam onmiddellijk de zorg op zich om de Kerk van Afrika op de hoogte te stellen van de feiten; hij stuurde hiervoor de volgende brief naar bisschop Successus.
Carthago, augustus 258.
"Mijn dierbare broeder,
Ik heb u niet dadelijk mijn schrijven kunnen toesturen omdat geen enkele geestelijke van deze Kerk zich kon verplaatsen, vermits ze allemaal in de storm van de vervolging kwamen te staan; en dank zij de Heer zijn ze allemaal innerlijk zeer bereid gevonden geweest om dadelijk naar de hemel te gaan.
Ik deel u nu de berichten mee waarover ik beschik.
De afgezanten die ik naar Rome heb gestuurd om de juiste toedracht te hebben en klaarheid in te winnen omtrent de beslissing die de autoriteiten tegenover mij genomen hebben, van welke aard die ook mag zijn, zijn terug om op die manier een eind te maken aan alle veronderstellingen en oncontroleerbare hypotheses die de ronde doen. Ziehier nu de waarheid, zoals ze op een juiste manier is vastgesteld.
Keizer Valerianus heeft zijn rescript naar de senaat gestuurd en hij heeft daarmee beslist dat bisschoppen, priesters en diakens onmiddellijk zullen gedood worden. De senatoren, de notabelen en ook diegenen die de titel van Romeinse ridder dragen, moeten van iedere waardigheid en van al hun goederen beroofd worden. Als ze, ook als gevolg van de inbeslagname, zouden verharden in de christelijke belijdenis, dan moeten ze tot de doodstraf veroordeeld worden.
De christelijke Matrone moeten gestraft worden door al hun goederen in beslag te nemen en daarna moeten ze in ballingschap gestuurd worden. Van al de keizerlijke functionarissen die het christelijk geloof al beleden hebben of op het ogenblik zouden belijden, moeten eveneens alle goederen geconfisqueerd worden. Daarna moeten ze worden aangehouden en ingeschreven worden bij degenen die toebehoren tot de keizerlijke bezittingen (dwangarbeid).
Bij het rescript voegt Valerianus nog een afschrift toe van zijn brief die hij tot alle provinciegouverneurs richt en die betrekking heeft op mijn persoon. Ik wacht op deze brief van dag tot dag en ik hoop hem spoedig te ontvangen, terwijl ik mij sterk en moedig houd in het geloof. Mijn houding ten overstaan van het martelaarschap is duidelijk. Ik kijk er naar uit, vervuld van vertrouwen zoals ik ben om de kroon van het eeuwige leven te ontvangen door Gods goedheid en edelmoedigheid.
lk deel u mee dat Sixtus het martelaarschap heeft ondergaan samen met vier diakens op 6 augustus toen hij zich in de zone van de "Begraafplaats" bevond (de catacomben van Sint-Callixtus). De autoriteiten van Rome hebben als norm dat al diegenen die als christenen aangeklaagd worden, terechtgesteld moeten worden en dat hun goederen in beslag moeten worden genomen ten voordele van de keizerlijke schatkist.
Ik vraag dat al wat ik gemeld heb, ter kennis worde gebracht ook aan andere broeders in het episcopaat, zodat dank zij hun aansporingen onze gemeenschap aangemoedigd zou kunnen worden en steeds beter voorbereid zou zijn op de geestelijke strijd. Dit zal tot stimulans dienen om eerder het goed van de onsterfelijkheid te overwegen dan de dood, en om zich aan de Heer toe te wijden met vurig geloof en heldhaftige moed, om zich eerder te verheugen dan om bang te zijn bij de gedachte het eigen geloof te moeten belijden. De soldaten van God en van Christus weten maar al te best dat hun opoffering niet zozeer een sterven is als wel een gloriekroon.
Dierbare broeder, ik groet u in de Heer" (Brief 80).
5. Het martelaarschap van de heilige Cyprianus
Het zou zeer nuttig en stichtend geweest zijn mochten wij de processen-verbaal kennen van de martelaren Pontianus, Fabianus, Cornelius, Sixtus II, Eusebius, Cecilia ... Spijtig genoeg werden de archieven van de Kerk van Rome tijdens de verschrikkelijke vervolging van Diocletíanus vernietigd. Maar de processenverbaal van de H. Cyprianus werden ons overgeleverd. Deze "Akten" werden in de christelijke gemeenschappen gelezen ter ere van de martelaar en om kracht te bekomen op het ogenblik van de beproeving. Wij kunnen derhalve onthouden dat ook de processenverbaal van de bovengenoemde martelaren geschreven werden in ongeveer dezelfde stijl.
Carthago, 14 september 258.
"In de morgen van 14 september had zich een grote menigte bij Sestus verzameld, zoals de proconsul Galerius Maximus had bevolen. En zo had diezelfde Galerius Maximus het bevel gegeven dat Cyprianus voor verhoor diezelfde dag in het atrium Sauciolus zou voorgeleid worden. Toen hij voor hem stond zei de proconsul tot bisschop Cyprianus:
- Gij zijt Tascius Cyprianus?
De bisschop antwoordde:
- Ja, ik ben het.
De proconsul Varius Maximus zei:
- Weet ge dat gij u voorgesteld hebt als hoofd van een heiligschennende sekte?
Bisschop Cyprianus antwoordde:
- Ik ben het.
Galerius Maximus zei:
- De allerheiligste keizers bevelen u te offeren.
De bisschop antwoordde:
- Dat doe ik niet.
De proconsul Galerius maximus zei:
- Denk goed na.
Bisschop Cyprianus zei:
- Doe wat gij als bevel gekregen hebt. In zo'n rechtvaardige zaak valt er niet na te denken.
Na beraadslaging met het college van magistraten sprak
Galerius Maximus, met moeite en tegenzin, dit vonnis uit: "Gij hebt lange tijd als heiligschenner geleefd en ge hebt heel velen in uw misdadige sekte bijeengebracht, en ge hebt u tot vijand van de Romeinse goden en van hun heilige riten gemaakt. De vrome en allerheiligste keizers Valerianus en Gallienus Augustus en Valerianus de alleredelste keizer zullen er niet in slagen u terug te brengen tot de naleving van hun godsdienstige ceremonieën.
Daarom zult ge, vanaf het ogenblik dat ge de auteur zijt en de aanstoker van ergere misdrijven, zelf tot voorbeeld dienen van diegenen die gij deelgenoten gemaakt hebt van uw misdadige acties. Met uw bloed zal de eerbied voor de wetten bekrachtigd worden".
Na het uitspreken van die woorden las hij luid het volgende decreet af van een bordje: "Ik geef bevel dat Tascius Cyprianus gestraft wordt met onthoofding".
Na dat vonnis riep de menigte broeders (christenen): "Ook wij willen samen met hem onthoofd worden". Hierdoor ontstond grote opschudding onder de broeders en een grote menigte volgde hem. En zo werd Cyprianus naar het veld van Sestus gevoerd; hier legde hij zijn mantel en zijn kap af, hij knielde neer op de grond en strekte zich in gebed voor de Heer uit. Daarna legde hij de dalmatiek af (een overkleed), gaf ze aan de diakens, terwijl hij slechts het linnenkleed aanhield en zo wachtte hij op de beul.
Toen deze aankwam, gaf de bisschop zijn dienaars het bevel die man vijfentwintig muntstukken te geven. Intussen spreidden de broeders stukken stof en doeken uit (om het bloed als relikwie op te vangen) . Daarna deed de grote Cyprianus zelf met eigen handen de blinddoek om, maar daar het hem niet lukte, kwamen de priester Julianus en de subdiaken Julianus hem ter hulp.
Op die manier stierf bisschop Cyprianus de marteldood en zijn lichaam werd op een nabijgelegen plaats neergelegd om het te onttrekken aan de onbescheiden blikken van de heidenen. Tijdens de nacht werd het vandaar met fakkels en aangestoken toortsen weggedragen en begeleid tot aan de begraafplaats van de procurator Macrobius Candidianus op de via delle Capanne dicht bij de baden. Enkele dagen later stierf proconsul Galerius Maximus.
De heilige bisschop Cyprianus onderging de marteldood op 14 september onder de keizers Valerianus en Gallienus, terwijl echter onze Heer Jezus Chrìstus heerste, aan wie alle eer en glorie toekomt in de eeuwen der eeuwen. Amen!" (Uit de Akten van de Proconsul, 3-6).