DE OMGEVING VAN LIBERIUS
Ze werd uitgegraven gedurende de tweede helft van de vierde eeuw in het noordelijk gedeelte van de catacomben van Callixtus. De regio werd zo genoemd door de Rossi toen hij drie grafinscripties terugvond uit de tijd van Paus Liberius (352-366), de voorganger van Damasus. Op één van die opschriften, nu in het museum van de martelaren van het Vaticaan, spreekt men van een zekere Euplia, een klein kind van vijf jaar, "begraven in vrede onder paus Liberius".
De voornaamste karakteristiek van deze regio is de aanwezigheid van grote crypten met kruis- of tongewelf met in de vier hoeken kolonnen uitgehouwen in de tufsteen. Soms zijn er op de plaats van de kolonnen kleine pilaren. De regio bevat wel een groot aantal lichtkokers van onder uit zichtbaar,maar dicht gemaakt. De frescos, die niet zeer talrijk zijn en verspreid in diverse plaatsen, roepen de bekende temas op van de voorstellingen uit de catacomben: Christus, "pantocrator" , een monogram van Christus, van Adam en Eva met het serpent, van Suzanna tussen de ouderlingen die haar beschuldìgen, enz.
In die ruimte werden enkele crypten gegraven door leden, van de clerus, zoals Deusdedit.
Hij betrachtte de rechtvaardigheid en een eerbaar leven. Rijk met de armen en arm met zich zelf . De diaken Tigridas onderscheidde zich "door de ernst van zijn leven. Hij was een man van de oude stempel, ijverig, hij was vol aandacht voor de goddelijke wet en hij onderhield hem goed", terwijl de diaken Redentus "een lofwaardige jeugd beleefde en onschuldig leefde".
De diakens waren nauwe medewerkers van de bisschoppen; in Rome,van de paus. In de kerkelijke hierarchie kwamen zij na de priesters en in de christelíjke gemeenschap voltrokken zij liturgische, administratieve, en caritatieve functies van naastenliefde.
DE GRAFINSCRIPTIES
In de catacomben van Sint-Callixtus zijn er juist geteld 2378, een goed deel daarvan horen thuis in deze regio van Liberius. Zij laten ons de herinnering van de bescheiden wereld van de Kerk uit de begintijd; het zijn getuigen van het leven, van het geloof en van de dood van de eerste christenen. De inscripties zijn lofredes op de deugden en de verdiensten van de afgestorvenen; ze brengen de herinnering aan hun deelname aan het familieleven, aan het sociale, religieuze leven; ze zijn aanroepingen en gebeden voor de overledenen en de nabestaanden.
Zij roemen en prijzen het echtelijk en het familieleven.
- Celsius Eutropius verloor zijn jonge vrouw van nauwelijks dertig jaar, nadat ze elf jaar gelukkig gehuwd waren geweest. Op de grafsteen staat geschreven dat de tijd met haar doorgebracht een paradijs was: "Celsus Eutropius tot zijn echtgenote... die steeds met mij leefde zonder ooit mij enig ongenoegen te verschaffen. Ze was 31 jaar, 9 maanden en 15 dagen. Ze leefde samen met haar man: tien jaar en negen maanden... welverdiend in vredel".
- Probilianus roemt de eerbaarheid en de goedheid van zijn vrouw: "Probilianus aan zijn echtgenote Felicita,van wie alle buren de trouw, de eerbaarheid van haar zeden en de goedheid kenden. Tijdens de acht jaar afwezigheid van haar echtgenoot bedroog ze hem nooit. Ze werd hier begraven op deze heilige plaats, de derde januari".
- De ouders van Acuzianus noemen hun zoontje 'lam van goedheid geofferd aan Christus: 'Aan Junius Acuzianus, die tien jaar leefde. Welverdiend in vrede, begraven de ... In de graf tombe ligt een jongen scherpzinnig in het spreken niettegenstaande ziin jonge leeftijd. Een lam dat weggerukt is in de hemel en gegeven aan Christus".
- De moeder van Augustinus wijdt een inscriptie aan haar jonge zoon: "... aan de zachte rust, aan de uitstekende vroomheid, aan de onschuld van leven en aan de wonderbare wijsheid van een zeer geliefde jongen, die de godsdienst van zijn moeder heeft gekozen. . . . Augustinus "leefde vijftien schone jaren en drie maanden. De zeer vrome moeder aan de uiterst zachte jongeling in de eeuwige vrede".
- Een bejaarde herinnert met onmetelijke liefde aan de kleine Macedonianus, reeds wees: "Aan de zeer geliefde zoon Macedonianus, zachter dan de zachtheid van jongelingen, hij leefde op deze aarde negen jaar en twintig dagen. Een familielid zorgde voor zijn graf. In vrede".
- Op de trap van de regio van Liberius ontmoet men de grafsteen van een jong meisje van een voorbeeldig leven: "Aan Seconda van bewonderenswaardige goedheid, die twintig jaar leefde in eerlijk geloof. Had een eerbare levenswandel. Ze bleef altijd getrouw aan haar maagdelijkheid. Stierf in de vrede van de Heer.Gedenksteen aan deze onschuldige duif, sine felle ( letterlijk zonder gal). Werd begraven op 15 juli onder het consulaat van Mamertinus en Nevitta".
- Valentina wordt beweend door de ouders met grote liefde: " O Valentina, zacht en zo bemind, ik ben overmand door een niet te remmen geween en lk kan geen woord uitbrengen. Tot wie jij ook je glimlach hebt gericht, het blijft in hun hart bewaard en doet nog meer tranen vloeien. Het kan hun droefheid niet wegnemen. Onvoorzien heeft de hemel je voor zich opgeëist".
De christenen namen ten volle deel aan alle sociale activiteiten, in de meest verscheidene beroepen en werken stelden zij hun leven ten dienste van hun medemensen. De graf inscripties brengen daar ten volle het bewijs van en de herinnering eraan:
- Deuterius, leraar Latijn en Grieks: "Deuterius, vertaler van de oude dichters en leraar Latijn en Grieks, rust zeker (van zijn redding) in de eeuwige vrede.
- Teodulus, zeer waardevolle onderofficier en rechtschapen administrator: "De herinnering van de vrienden bewaart de gedachtenis aan Teodulus, die is gestorven met de eer van de wapens. Zijn rechtschapenheid onderscheidde hem bij de onderofficieren. Hij was trouw aan de strijdmakkers en aan de vrienden. Zijn faam maakte hem tot dienaar van God eerder dan van het geld, en integer onderofficier van de stadsprefectuur. Als ik kon, zou ik hem voortdurend loven opdat hem het beloofde licht zou geschonken worden.
- Redentus, de beweende diaken door zijn gelovigen en door paus Liberius: "Smart, houd je tranen in bedwang! o heilig volk van God, wat vraagt gij van de diaken Redentus? Onvoorzien heeft het Rijk der Hemelen hem opgenomen. Hij zong zachtjes met zoete klanken en bezong de profeet Daniel met een vredige harmonie. Zijn aardse leven was onschuldig, zijn jeugd werd geprezen. Het kwaad is eindelijk overwonnen en kan hem geen schade meer toebrengen. Nu ontvangt het paradijs hem, na degene weggenomen te hebben, die zoveel overwinningen op de vijand (de duivel) had behaald".
- Annius Innocentius, apostolische nuntius: "Annius Innocentius, leefde zesentwintig jaar. Om zich ten dienste te stellen van de Kerk matte hij zich vaak af in reizen. Hij werd inderdaad twee maal gezonden naar de Griekse provincies, vaak in Campanië, Calabrië en Apulië. Uiteindelijk is hij op zijn reis in Sardinië uit deze wereld weggegaan. Zijn lichaam werd naar hier overgebracht. Hij rust (nu) in vrede, 25 augustus".
- Valerius Pardus, tuinier, afgebeeld met het tuinmes in de hand en groenten in de andere: "Hier rust Valerius Pardus. Felicissima bracht de inscriptie aan voor de goede echtgenoot".
- Ebentius, priester in de zielzorg: "Hier rust Ebentius, priester, degene die bij het bekomen van het priesterschap van Christus het volk van God verdiende te leiden".
Dit zijn slechts enkele van de verschillende grafopschriften uit de catacomben van Sint Callixtus die het leven van de christenen te beschrijven en de grote verscheidenheid van hun beroepen. Laten wij er ons ten volle rekenschap van geven hoezeer zij innig ingeschakeld waren in de sociale context van hun tijd. Wij kunnen niet doorgaan met hun grafstenen beschrijven, maar van sommige andere christenen noemen wij de naam en het beroep:
- Dionysius, arts en priester; Aurelius Aurelianus, centurio van de cohorte; Gorgonus, leermeester; Paulus; exorcist; Iustus, hoofd van handarbeiders, in herinnering gebracht met de bijl, de beitel, de troffel; Primenius, verkoper van levensmiddelen; Puteolanus, beeldhouwer in marmer; Iovinus, constructeur van karren, Astasious, Alexander, Picentius, Quintus, Martinianus, Ursu, Felix, delvers; Faustus, kelner. Op het graf van een handelaar is op de sluittegel een balans gegraveerd, zoals een zaag en de kleine fles om te drinken gegraveerd zijn op de steen van een timmerman.
Heel terecht konden de apologisten (geloofsverdedigers) van de tweede, de derde en de vierde eeuw de laster en de beschuldigingen die tegen de christenen gericht werden als zouden zij afgescheiden, oneerlijk en onproductíef geleefd hebben, als absurd en onrechtvaardig weerleggen. Hun levenswijze was bewonderenswaardig, ja ze had zelfs iets van het ongelooflijke (Brief aan Diognetus); zij zonderden zich geenszins af, maar namen aan alle activiteiten deel zoals de heidenen, "zij leefden in rechtvaardigheid en heiligheid" (Aristide) ; "zij hadden van God geleerd om te leven in rechtschapenheid" (Tertullianus). "Zij brengen hun leven hier op aarde door, maar het zijn hemelbewoners".
De inscripties van de catacomben illustreren inderdaad het geloof dat de eerste christenen beleden hebben. Zij zeggen ons wat zij denken van onze uitersten: de dood en het lot van de ziel in de eeuwigheid. De inscripties geven de gelovigen een evenwichtige houding van sereniteit en vrede. De dood wordt niet gezien als een vloek, als het einde van alles, maar als een zachte rust in afwachting van de verríjzenis die beloofd is door Christus.
De uitdrukking die voortdurend terugkomt, is: "In vrede, bijgezet in vrede, stierf in vrede, gaf de ziel terug in vrede, rust in vrede". We vinden zelfs vaak de wens: "Moge jij leven bij de Heiligen, in God, in Christus, in de Heilige Geest, in eeuwigheid". De wens wordt vaak geillustreerd door de duif met het olijftakje, universeel symbool van vrede. De zelfde zekerheid vindt men ook in andere catacomben. Een inseriptie resumeert in het bijzonder het geloof van de christenen "De zachte en onschuldige Severianus rust hier in het teken van Christus, in de rust van de vrede. Hij leefde ongeveer vijftig jaar. zijn ziel werd opgenomen in het licht van de Heer".
De uiteindelijke bestemming van de christenen is de verrijzenis als deze van Christus en het eeuwige leven. Damasus, de zanger van de catacomben, spreekt voor iedereen. Nadat in zijn inscripties enige wonderen van Christus in herinnering werden gebracht, zoals over het water wandelen (Mc 6,45-52), de opwekking van Lazarus (Joh 11,1-44), en de verrijzenis zelf (Mt 28,1-10), beweert Damasus met absolute zekerheid dat Jezus Christus hem op een dag zal doen verrijzen:
"Degene die het leven teruggeeft aan de zaden
die sterven in de grond,
Diegene die na de duisternis
de dodelljke strikken van de dood kon ontbinden,
na drie dagen aan zuster Maria
opnieuw de broeder onder de levende
kon teruggeven,
Ik geloof dat hij van uit het stof
Damasus zal doen opstaan".
|