De "identiteitskaart" van de eerste christenen.
Vanaf de eerste eeuw verspreidde de christelijke godsdienst zich vlug in Rome en in de hele wereld, niet enkel om zijn originaliteit en universaliteit, maar ook om zijn getuigenis van geestdrift, van naastenliefde en van barmhartigheid die de christenen tegenover alle mensen aan de dag legden. De burgerlijke autoriteiten en het volk zelf, die aanvankelijk onverschillig waren, stelden zich vrij vlug vijandig op tegen de nieuwe godsdienst, omdat de christenen de verering van de keizer en de aanbidding van de heidense goden van Rome weigerden. Om die reden werden de christenen beschuldigd van ontrouw aan het vaderland, van godloochening, van haat tegenover de mensheid, van verborgen misdaden zoals incest, kindermoord en van ritueel kannibalisme; zij werden ervan beschuldigd de oorzaak te zijn van natuurrampen zoals de pest, de overstromingen de voedselschaarste, enz.
De christelijke godsdienst werd bestempeld als: vreemd en niet toegelaten (decreet van de senaat van 35), exitialis gevaarlijk (Tacitus), prava et immodica - schandelijk en losbandig (Plinius), nova et malefica - nieuw en schadelijk (Suetonius), tenebrosa et lucifuga - duister en lichtschuw (van Octavius van Minucius), detestabilis - verfoeilijk (Tacitus); derhalve werd de christelijke godsdienst buiten de wet geplaatst en vervolgd, omdat hij beschouwd werd als de gevaarlijkste vijand van de macht van Rome, díe gebaseerd was op de oude nazionale godsdienst en op de verering van de keizer,instrument en symbool van de macht en van de eenheid van het
Rijk.
De eerste drie eeuwen vormen het tijdperk van de martelaren, dat eindigde met het edict van Milaan in 313 waarin de keizers Constantijn en Licinius vrijheid verleenden aan de Kerk. De vervolging heeft niet voortdurend aangehouden en was ook niet algemeen, d.w.z. uitgebreid tot het hele Rijk, maar ze is wel altijd even wreed en bloedig geweest. Na periodes van vervolgingen volgden periodes van betrekkelijke rust.
In de overgrote meerderheid van de gevallen hebben de christenen moedig en vaak heldhaftig de beproeving van de vervolgingen doorstaan, ze ondergingen ze niet passief.Ze verdedigden zich krachtig door de beschuldigingen te weerleggen dat zij verborgen of publieke misdaden zouden begaan, en door de inhoud van hun geloof voor te stellen ("waarin geloven wij") en door hun identiteit te beschrijven ("wie zijn wij").
In de apologieën (de geloofsverdedigingen) van de christelijke schrijvers van die tijd, die ook tegen de keizers gericht waren, vroegen de christenen om niet onrechtvaardig beschuldigd te worden zonder gehoord te zijn en zonder bewijzen. Het principe van de wet uit de senaat "Non licet vos esse" - "het is u niet toegelaten te bestaan" werd door de apologeten verklaard als zijnde onrechtvaardig en onwettig, omdat de christenen rechtschapen burgers waren, de wetten eerbiedigden,aanhankelijk waren aan de keizer, werkzaam en voorbeeldig zowel in het privé- als in het publieke leven.
Omdat de catacomben het bewijs en de bevestiging bevatten van het wonderbare leven dat christenen hebben geleid, en dat de apologeten beschreven hebben, reiken we hier enkele betekenisvolle uittreksels uit hun werken aan; ze vormen als het ware de "identiteitskaart" van de eerste christenen.
1. Uit de Brief aan Diognetus (apologie van een onbekende auteur uit de 2e-3e eeuw).
"De christenen verschillen niet van de anderen,noch door het land dat ze bewonen, noch door de taal die zij spreken, noch door hun klederdracht. Zij zonderen zich in hun steden niet af en hebben geen eigen taalgebruik, evenmin leiden zij een bijzonder soort leven.
Hun leer is geen samenraapsel van een onrustige geest bij onderzoekers, ze hangen ook geen menselijk filosofisch systeem aan, zoals dat voor sommigen het geval is. Ze wonen in Griekse of in vreemde steden, zoals dat voor iedereen uitkomt, en door zich qua kleding, voeding en in de rest van hun bestaan aan te passen aan de plaatselijke gewoontes, geven zij het voorbeeld van hun manier hoe zij een wonderbaar maatschappelijk leven leiden, dat naar het zeggen van allen, iets ongelooflijks heeft."
Zij wonen op aarde maar het zijn hemelburgers.
"Ze wonen in het eigen vaderland,maar als vreemden. Ze nemen deel aan al hun plichten als burgers, maar ze worden behandeld als vreemden. Elk vreemd land is voor hen vaderland en elk vaderland is voor hen vreemdland. Ze huwen zoals alle anderen en brengen kinderen voort,maar ze laten hun pasgeborenen, niet achter. Ze hebben gezamenlijk maaltijd, maar ze delen niet het bed.
Ze leven in het vlees, maar niet volgens het vlees (2 Kor 10,3; Rom 8, 8-12). Ze brengen hun leven op aarde door, maar het zijn burgers van de hemel.
Ze gehoorzamen aan vastgelegde wetten, maar door hun levenswijze gaan zij die wetten te boven. Ze houden van ieder en door iedereen worden zij vervolgd. Ze zijn niet gekend en ze worden veroordeeld. Men brengt hen ter dood,maar zij ontvangen het leven. Ze zijn arm, maar maken velen rijk (2 Kor 6,9-10). Ze worden van alles beroofd maar ze hebben alles in vervloed. Ze worden veracht, maar in de verachting vinden zij hun eer voor God. Men verguist hun eer en daarbij komt het getuigenis van hun onschuld.
Worden zij beschimpt, dan zegenen zij (1 Kor 4,12). Men behandelt hen onbeschoft en zij reageren met eerbied. Ze doen goed en ze worden gestraft als misdadigers. De joden bekampen hen als waren zij vreemd gespuis. De Grieken vervolgen hen, maar degenen die hen haten, kunnen niet de reden opgeven voor hun haat".
Ze zijn in de wereld zoals de ziel in het lichaam.
"Om het in één woord te zeggen, de christenen zijn in de wereld zoals de ziel in het lichaam. Zoals de ziel in heel het lichaam is, zo zijn de christenen uitgezaaid in de verschillende steden van de wereld. De ziel woont in het lichaam, maar komt niet voort uit het lichaam: zo wonen de christenen wel in de wereld, maar ze komen er niet uit voort. De ziel die onzichtbaar is, is opgesloten in een zichtbaar lichaam; zo weet men van de christenen dat zij in de wereld zijn, maar hun vroomheid blijft onzichtbaar.
Zoals het vlees de ziel haat en haar bestrijdt, zonder enige belediging ontvangen te hebben, maar enkel omdat de ziel het vlees verhindert te genieten van de genoegens: zo haat de wereld ook de christenen die de wereld geen kwaad berokkend hebben, maar alleen omdat zij zich verzetten tegen een systeen dat gebouwd is op genot en plezier.
De ziel houdt van het vlees, dat haar nochtans haat, en van de ledematen: zo eveneens de christenen, zij beminnen degenen die hen haten. De ziel is opgesloten in het lichaam, maar het is zij die het lichaam ondersteunt; zo is dat ook voor de christenen, zij worden in de wereld behandeld als in een gevangenis, maar zij zijn het die de wereld ondersteunen. De onsterfelijke ziel woont in een sterfelijk huis, zo wonen de christenen eveneens als pelgrims tussen de vergankelijke dingen in afwachting van de onvergankelijkheid in de hemel.
Door zich in voedsel en drank te versterven, wordt de ziel er beter van; bij de christenen die gestraft worden neemt het aantal van dag tot dag toe. God heeft hun een zo heerlijke plaats aangewezen, die ze in geen geval mogen prijsgeven".
2. Uit "Boeken aan Autolicus" van de heilige Theofilus van Antiochië (2e eeuw)
De christenen eren de keizer en bidden voor hem (boek I, 2)
"Ik zal de keizer eren, maar ik zal hem niet aanbidden; ik zal dus wel voor hem bidden. Ik aanbid de ware en enige God, door wie, zoals ik weet, de soeverein geschapen is. En dan kunt ge mij vragen: en waarom aanbidt ge dan niet de keizer? Als keizer moet hij geëerd worden met rechtmatige eerbied, maar hij mag niet aanbeden worden. Hij is God niet, maar een mens die God geplaatst heeft, niet om aanbeden te worden, maar opdat hij op deze aarde rechtvaardigheid zou uitoefenen.
Het staatsbestuur werd hem in zekere zin door God toevertrouwd. En zoals de keizer niet kan dulden dat zijn titel gedragen wordt door zijn onderdanen - niemand kan keizer genoemd worden - zo kan ook nìemand aanbeden worden als hij God niet is. De soeverein moet daarom geëerd worden met gevoelens van eerbied; men moet hem gehoorzamen en voor hem bidden. Op die manier volbrengt men de wil van God."
Het leven dat de christenen leiden, toont de grootheid en de luister van hun godsdienst aan (Boek III, 15)
"Bij christenen vindt men een wijze zelfbeheersing, men beoefent de kuisheid, men beleeft keurig het monogame huwelijk, men bewaart de kuisheid, de onrechtvaardigheid wordt uitgesloten, de zonde wordt radicaal uitgeroeid, men beoefent de rechtvaardigheid, de wet wordt onderhouden, en de godsvrucht apprecieert men met daden. Men erkent God en de waarheid wordt beschouwd als hoogste norm.
De genade bewaart hen, de vrede beschermt hen, de heilige schrift leidt hen, de wijsheid onderricht hen, het (eeuwige) leven is hun oriëntatie, en God is hun koning".
3. Uit de "Apologie" van Aristide (2e eeuw)
De christenen leven de wetten van God na
"De christenen dragen de wetten van God in hun hart ingegrift en ze onderhouden ze in de hoop op de toekomstige wereld. Daarom plegen ze geen echtbreuk noch ontucht; ze leggen geen valse getuigenis af; ze eigenen zich niet toe wat ze ter bewaring ontvangen hebben; ze begeren niet wat hun niet toebehoort; ze eren hun vader en hun moeder en doen goed aan hun naaste; en als rechters oordelen zij naar waarheid en recht. Ze aanbidden geen afgoden in menselijke gestalte; wat ze niet willen dat anderen hun doen, dat doen ze zelf niemand anders aan. Ze eten geen vlees dat aan afgoden geofferd werd, omdat het bezoedeld is. Hun dochters zijn kuis en maagd, ze mijden de prostitutie; de mannen onthouden zich van elk onwettig huwelijk en van alle onkuisheid; hun echtgenoten zijn kuise vrouwen in de hoop op de grote beloning in de 'andere wereld' ..."
Ze zijn goed en liefdevol
"Ze komen diegenen te hulp die hen beledigen en ze maken ze tot vrienden; ze doen goed aan hun vijanden. zij aanbidden geen vreemde goden; ze zijn zachtaardig, goed, eerbaar, oprecht, ze beminnen elkaar; ze misprijzen de weduwe niet; ze redden de wees; wie bezit heeft, geeft zonder te mopperen aan wie niets heeft. Als ze vreemdelíngen zien, doen ze hen binnenkomen in hun huis en ze verheugen er zich om, daar ze in hen ware broeders erkennen, vermits ze die naam niet alleen aan diegenen geven die broeders zijn naar het vlees, maar ook naar de ziel.
Wanneer een arme sterft, en ze weten het, dan dragen ze volgens hun vermogen bij in de begrafeniskosten; als ze te horen krijgen dat sommigen vervolgd worden of in de gevangenis geworpen of veroordeeld om de naam van Christus, dan leggen ze hun aalmoezen bijeen en sturen hun het nodige op, en als ze kunnen, dan halen ze hen uit de gevangenis; als er een slaaf of een sukkelaar dient geholpen te worden, dan vasten ze twee of drie dagen en het voedsel dat ze voor zichzelf hebben klaargemaakt, sturen ze hem op, in de mening dat ook hij zich moet verheugen, vermits ook hij, net als zij, geroepen is tot de vreugde."
Ze leven rechtvaardig en heilig
"Ze onderhouden stipt de geboden van God, door heilig en rechtvaardig te leven, zoals de Heer hun God het hun heeft voorgeschreven; elke morgen en elke avond danken ze Hem voor alle voedsel en drank en voor elk ander goed ...
Keizer, dat zijn hun wetten. De goederen die zij van God moeten ontvangen, vragen ze aan Hem en op die manier gaan zij door deze wereld tot het einde van de tijden: want God heeft alles aan hen onderworpen. Ze zijn Hem dus erkentelijk, want voor hen werd het heelal gemaakt en de hele schepping. Zonder twijfel heeft dit volk de waarheid gevonden".
4. Uit de "The Apologetiek" (geloofsverdediging) van Tertullianus (2e-3e eeuw)
De christenen zijn niet nutteloos en onproductief
"Men beschuldigt ons ervan onproductief te zijn in de verschillende vormen van activiteit. Maar hoe kan men zo iets beweren van mensen die met u samenleven, die met u eten, die dezelfde klederen aantrekken, die hetzelfde leven leiden en dezelfde levensbehoeften hebben?
Wij denken eraan God dank te zeggen, onze Heer en Schepper, en wij versmaden geen enkele vrucht van zijn werk. Heel zeker, wij gebruiken de dingen met mate en niet op een buitensporige of slechte manier. Wij wonen samen met u en wíj bezoeken het forum, wij gaan naar de markt, naar de badplaats, de winkels, de werkplaatsen, de stallen en wij nemen deel aan alle activíteiten.
Wij varen ook samen met u op zee, we dienen in het leger, bewerken de grond, drijven handel en wij verkopen de vrucht van ons werk voor uw gebruik. Ik begrijp echt niet hoe wij nutteloos kunnen lijken en onproductief voor uw zaken, wanneer wij met u en van u leven.
Als er mensen zijn die redenen hebben om zich over de christenen te beklagen omdat men met hen geen handel kan drijven, dan zijn het de beschermers van prostitués, de gemene kerels en hun medeplichtigen; dan volgen de criminelen, de giftmoordenaars, de tovenaars, de waarzeggers, de bezweerders, de astrologen. Het is fraai voor zulke lieden onproductief te zijn! ... En verder, in de gevangenissen vindt u nooit een christen, tenzij om godsdienstige redenen. Wij hebben van God geleerd eerbaar te leven."
What an unbelievable thing is to be unproductive for such people!... And finally, you will never find any Christian in prison, unless he be there for religious reasons.
We have learnt from God to live honest lives".